Streptomyces scabies
Schurft
Ziektebeeld:
Tot nog toe worden er drie verschillende vormen van aardappelschurft onderscheiden. (1) de in de hele wereld te vinden gewone aardappelschurft, (2) de regionaal in Noordwest-Europa verspreide netschurft en (3) de alleen in Noord-Amerika voorkomende roodbruine schurft. Hieronder worden de eerste twee vormen van schurft nader toegelicht. De symptomen van gewone schurft zijn bijna alleen op de knol te vinden. Op het knoloppervlak ontstaan onregelmatig verdeelde, kurkachtige, bruine vlekken met gebarsten verlagingen. Wanneer alleen oppervlakkige weefsellagen afgestorven zijn, wordt de verschijningsvorm oppervlakkige schurft genoemd. Netschurft behoort hier ook toe. Wanneer zich diepere, gegroefde deuken vormen, spreekt men van diepe schurft. Onder knobbelschurft wordt de vorming van nieuw weefsel, dat zich op de aangetaste plek naar boven welft, verstaan. Stolonen, wortels en stengelvoet worden slechts zelden aangetast en reageren met de vorming van necrotische plekken. Bij netschurft worden alle ondergrondse plantendelen van de plant aangetast. Als de knollen beginnen te kiemen en de wortels gevormd worden, begint het ziekteverloop. De aantasting zelf begint echter al voor de knolvorming. Aan de stengelvoet en stolonen ontstaan bruine laesies, die met aantasting door Rhizoctonia verward kunnen worden. Bij aantasting van de wortels, die met lichtbruine verkleuring gepaard gaat, verrotten de haarwortels bijna volledig. De groei wordt verstoord, wat tot aanzienlijke opbrengstverliezen kan leiden. In het eindstadium wordt de knol gedeeltelijk of volledig met bruine vlekken bedekt en ontstaat de typische netstructuur.
Relevantie:
Economische schade wordt bij gewone schurft hoofdzakelijk door een verminderde kwaliteit van de knol veroorzaakt. Dit leidt tot grotere schil- en gewichtsverliezen. De smaak en gezondheid worden echter niet beïnvloed. Netschurft wordt door voor gewone schurft ongunstige omstandigheden, zoals lage temperaturen en een hoge bodemvochtigheid, bevorderd.
Venturia inaequalis, Venturia pirina
Fruitteelt
Ziektebeeld
Meestal wordt de ziekte kort na de bloei zichtbaar op de bladeren. Op de boven- en onderkant van de bladeren verschijnen eerst ronde, later onregelmatige, bruin-grijze, fluweelachtige vlekken, die steeds groter worden. De bladeren sterven voortijdig af en de bomen kunnen bij een ernstige aantasting in de zomer al hun blad gaan verliezen. Bij een ernstige en vroege aantasting is de schil van de appels en peren in de oogsttijd misvormd door grote, verkurkte scheuren en talrijke grote, zwarte vlekken (vroege schurft). Of het fruit heeft kleine bruin-zwarte vlekken, die soms scherp zijn uitgetekend, maar vaak ook eerst heel slecht zichtbaar zijn (late schurft). Perenbomen hebben soms bovendien takken met schurftachtige plekken, en in het beginstadium van de aantasting, vlekken op de steel en op de jonge vrucht. Hierdoor kunnen de vruchten van de boom vallen. Als appels en peren kort voor de oogst zijn geïnfecteerd, wordt de ziekte pas zichtbaar in de bewaring. Er verschijnen glanzend zwarte vlekken, die licht verzonken zijn (bewaarschurft).
Ziekteverwekker
De schurftschimmels (bij de appelboom Venturia inaequalis en bij de perenboom Venturia pirina) overwinteren op bladeren, bij perenbomen ook op de schurftachtige plekken die zichtbaar zijn op de takken. Op de gevallen bladeren vormen zich wintersporen, die op het moment dat de knoppen openspringen rijpen en na de eerste warme regenbuien uit hun vruchtlichamen (perithecia) worden geslingerd (ascosporenvlucht). De kleine sporen worden door de wind makkelijk verspreid. Als ze terechtkomen op de net uitgelopen knoppen van hun waardplanten, dan ontkiemen ze bij voldoende vochtigheid en infecteren ze het gebladerte. De sporenvlucht duurt 6 à 8 weken. Op de plaats van de infectie ontstaan de hierboven beschreven vlekken. Hierin vormen zich later zomersporen (conidiën). De regen spoelt hen van blad naar blad en op de jonge vruchten. De ziekte grijpt binnen de boom steeds verder om zich heen (secundaire infectie).
Bij peren spelen ook de schurftplekken op takken een belangrijke rol als infectiebron, omdat zich hierop al in een vroeg stadium conidiën (zomersporen) vormen, die secundaire infecties kunnen veroorzaken.
Relevantie
Schurft is de economisch belangrijkste ziekte bij appel- en soms ook bij perenbomen. Door voortijdige aantasting worden de bomen geremd in hun ontwikkeling en wordt de aanleg van de bloemknoppen van het volgende jaar aangetast. Barsten en vlekken verminderen de waarde van de vruchten. Een kleine schurftbesmetting heeft al tot gevolg dat de vruchten in een lagere kwaliteitsklasse worden ingedeeld. Ze kunnen niet worden opgeslagen, omdat rottingsbacteriën makkelijk via de barsten het vruchtvlees kunnen binnendringen. Een veelvoorkomende nawerking van vruchtschurft is Monilia-rot; de schade is dan dienovereenkomstig nog groter. Om bladeren en vruchten te beschermen, moet de bestrijding al vanaf het uitlopen van de knoppen tot aan de oogst met intervallen van 7 tot 10 dagen worden uitgevoerd (hoe vochtiger het weer, des te vaker moet de behandeling worden uitgevoerd).
Venturia inaequalis, Venturia pirina
Fruitteelt
Schurft is één van de belangrijkste schimmelziekten in zowel appel (Venturia inaequalis) als peer (Venturia pyrina). De ziekte komt wereldwijd voor en vormt elk jaar opnieuw een grote bedreiging voor de productie en kwaliteit van hardfruit.
Schurft is een schimmelaantasting die voornamelijk bladeren, jonge scheuten en vruchten aantast. Bij appel wordt de ziekte veroorzaakt door Venturia inaequalis; bij peer door Venturia pyrina. Hoewel beide schimmels verwant zijn, is elke soort specifiek voor haar gastheer: appelschurft infecteert geen peren en omgekeerd. De schimmel ontwikkelt zich vooral onder koele, vochtige omstandigheden—typisch weer in het voorjaar en vroege zomer—waardoor schurft een jaarlijks terugkerend risico vormt in de teelt.
Herkenbare symptomen
Op bladeren : de eerste symptomen verschijnen als licht olijfgroene, later donkerbruine tot zwarte, fluweelachtige vlekjes. Naarmate het blad groeit, kunnen deze plekken groter worden, vervormen en vroegtijdige bladval veroorzaken.
Op vruchten : vruchtinfecties geven herkenbare donkere, ruwe en kurkachtige plekken. Bij appel kunnen deze later barsten waardoor vruchten misvormen en minder goed bewaarbaar worden. Bij peer worden de letsels vaak groter en duidelijker zichtbaar, met typische scheuren en kurkachtige zones.
Op jonge scheuten : vooral bij peren kunnen ook jonge scheuten geïnfecteerd raken. Deze tonen dan fluweelachtige donkerbruine vlekjes, die later kunnen verharden of afschilferen.
De levenscyclus: een ziekte die elk jaar opnieuw start
Overwintering : de schurftschimmels overwinteren in afgevallen bladeren of, bij peer, ook als takschurft op de takken.
Voorjaarsinfecties – primaire infectie : in het voorjaar worden vanuit deze overwinterde resten ascosporen vrijgesteld zodra de temperatuur stijgt en bladeren nat zijn. Deze worden door wind en regenspatten verspreid naar jong blad en jonge vruchtjes.
Secundaire infecties : eens de eerste letsels ontstaan, vormt de schimmel conidiën, die in natte perioden nieuwe bladeren en vruchten kunnen infecteren gedurende het hele groeiseizoen. De ernst van een infectiegolf hangt sterk af van temperatuur en bladnatduur. Zo kan infectie optreden bij relatief lage temperaturen, zolang bladeren maar lang genoeg nat blijven.
Impact op de teelt
Schurft heeft een rechtstreekse economische impact op zowel opbrengst als kwaliteit:
- Vruchtkwaliteit daalt door zichtbare vlekken, barsten en misvormingen. In ernstige gevallen worden vruchten onverkoopbaar.
- Bewaarbaarheid vermindert door scheuren en secundaire rot, vooral bij appel.
- Boomgezondheid kan achteruitgaan door bladval, wat leidt tot minder bloembotten en lagere productie het jaar nadien. In peren kunnen infecties van scheuten en vruchthout leiden tot extra inoculum en blijvende problemen in de boom.
- Door deze combinatie van factoren vormt schurft jaar na jaar één van de meest bepalende ziekten voor de economische rendabiliteit van hardfruitteelt.