Gymnosporangium fuscum (= G. sabinae)
Perenroest
Perenroest is een opvallende schimmelziekte bij peren, veroorzaakt door Gymnosporangium fuscum. De ziekte valt onmiddellijk op door de helder oranje‑rode vlekken op de bladeren. Perenroest is een heteroecische roestschimmel, wat betekent dat de schimmel twee totaal verschillende waardplanten nodig heeft om zijn levenscyclus te voltooien:
- Peer (Pyrus spp.) in de zomer
- Jeneverbes (Juniperus spp.) als overwinterende gastheer
Ziektebeeld: hoe herken je perenroest?
Op perenbladeren : in het voorjaar verschijnen kleine gele stippen aan de bovenkant van jonge bladeren. Deze ontwikkelen zich in de zomer tot opvallende oranje‑rode vlekken, vaak met een glanzend oppervlak. Naarmate de zomer vordert ontstaan aan de onderzijde van het blad pokachtige verdikkingen. Zwaardere aantastingen kunnen leiden tot vervorming van het blad, bladkrulling en uiteindelijk vroegtijdige bladval.
Op vruchten en twijgen : vruchten worden minder vaak getroffen, maar kunnen rode, wratachtige plekken ontwikkelen
Op jeneverbes (de alternatieve gastheer) : de schimmel veroorzaakt verdikkingen of gallen op twijgen. In het voorjaar vormen deze gallen spectaculaire oranje, gelatineuze sporenmassa’s (telia), die bij vochtig weer uitgroeien en grote hoeveelheden sporen produceren.
Levenscyclus van perenroest
Perenroest heeft een tweejarige, complexe levenscyclus met waardplantwisseling.
Overwintering op jeneverbes: de schimmel overwintert in gallen of verdikkingen op jeneverbestakken. Deze gallen blijven meerdere jaren actief en produceren elk voorjaar opnieuw sporen.
Verspreiding naar peren (voorjaar) : in het voorjaar ontstaan op de jeneverbes fel oranje telia, die teliosporen vormen. Na regen of dauw produceren deze teliosporen basidiosporen die door wind verspreid worden en jonge perenbladeren infecteren. Vooral bladeren jonger dan 10 dagen zijn zeer vatbaar.
Ontwikkeling op peren (zomer) : op de bovenkant van het perenblad ontstaan oranje‑rode vlekken. Aan de onderzijde worden aecia gevormd, waaruit aeciosporen vrijkomen. Deze aeciosporen infecteren jeneverbes opnieuw in de late zomer en herfst.
Terug naar jeneverbes (herfst) : aeciosporen landen op gevoelige junipersoorten en dringen het weefsel binnen. De schimmel vormt daar opnieuw gallen die het volgende voorjaar weer telia vormen.