Grape gray mold

Grauwe Schimmel | Botrytis cinera (Fruit)


Botrytis cinera


Grauwe schimmel wordt in de meeste fruitteelten veroorzaakt door Botrytis cinerea (seksuele vorm: Botryotinia fuckeliana). De schimmel heeft een zeer breed waardplantenbereik, tast bloesems, bladeren, scheuten en vooral vruchten aan, en kan zich zowel in het veld als na de oogst ontwikkelen. Het typisch beeld is een fluwelige, grijzige sporenvacht op aangetaste weefsels bij vochtig en koel weer. Infecties die tijdens de bloei ontstaan, blijven vaak latent en worden zichtbaar bij rijping en bewaring.​


Wat is Botrytis?​

Botrytis cinerea is een necrotrofe schimmel die optimaal gedijt bij koel‑vochtig weer en hoge RV; ze kan latente infecties vormen en massaal conidiën produceren (grijze sporenvacht). De ziekte heeft verschillende waardplanten waaronder zachte- steen- en pitfruit (o.a. aardbei, druif, appel, peer, kers, framboos,…). Botrytis is een belangrijke bewaarziekte in pitfruit en zachtfruit en kan bij lage temperatuur doorontwikkelen en nestrot veroorzaken. ​

Ziektebeeld (symptomen)​

Aardbei (veld & na oogst)​

  • Bloeseminfecties: bloesems verdorren, kleuren bruin en kunnen volledig afsterven; vaak startinfectie voor latere vruchtrot.​
  • Vruchtrot: de vruchten vertonen eerst lichtbruine plekjes (vaak onder de kelk) die snel uitgroeien; bij hoge RV ontwikkelt er grijs schimmelpluis ; bessen mummificeren of worden leerachtig. ​

Druif (trosrot)​

  • Voor véraison: scheut of bloeseminfecties bij langdurig warm‑vochtig weer.​
  • Rijpende bessen: verkleuren bruin/rood en barsten open. Grijs mycelium‑/sporenlaag wordt gevormd. Besmetting kan via bloemresten latent ontstaan en bij suikerstijging weer actief worden (“opflakkering” bij rijping​
  • Appel & peer (bewaarziekte)​
  • Bewaarrot met bleek‑ tot donkerbruine plekken zonder scherpe rand; weefsel blijft vaak sponsig en scheidt moeilijk van gezond vruchtvlees. Bij RV hoog ontstaat er witte/grijs myceliumpluis en grijze sporenmassa’s. In bewaring is er ook snelle vrucht‑naar‑vrucht verspreiding (“nestrot”). ​

Het grijze sporulaat is typisch, maar bij lage RV kan rot niet sporuleren; het weefsel blijft bruin/leerachtig.​

Levenscyclus & epidemiologie​

  • Overleving: op plantresten, mummies en in/weefsels als mycelium en sclerotiën; de schimmel is wijdverspreid in teeltsystemen. ​
  • Primaire inoculum: conidiën verspreiden vanuit sclerotiën/mummies of latent besmet plantmateriaal. De verspreiding kan gebeuren via wind, spatwater, contact en oogsthandelingen.​
  • Infectie‑venster:
    • Bloei is het kritieke moment—bloemorganen worden snel gekoloniseerd; infecties blijven vaak quiescent tot rijping. ​
    • Infecties vereisen vrije vochtfilm gedurende uren; temperatuurtraject voor infectie/ontwikkeling ligt typisch tussen ~10–25 °C met hoge RV. ​
    • Latentie & reactivatie: bij suikerstijging en weefselveroudering (rijping) hernemen latente bloeminfecties en rotten vruchten—ook na oogst in koeling. ​

Impact op de teelt​

Opbrengst & kwaliteit​

  • Aardbei: >50% verlies mogelijk in natte/koele bloei‑ en oogstperioden; bijkomend transport‑ en koelingsverlies door latente infecties. ​
  • Druif: pre‑ en post‑oogst verliezen; kwaliteitsdaling (smaak, verschijning), verhoogd risico op secundair rot; compacte trossen/verwondingen verhogen risico. ​
  • Appel/peer: Botrytis bewaarrot is wereldwijd een top‑2 na-oogst probleem in pitfruit en kan tot sterke verliezen lijden in verkoopbaar fruit.​