Erwinia amylovora
Bacterievuur
Bacterievuur is een zeer besmettelijke bacteriële ziekte van pitfruit, veroorzaakt door Erwinia amylovora. De ziekte treft vooral peer (Pyrus) en appel (Malus), maar ook tal van roosachtigen in en rond boomgaarden (o.a. meidoorn, vuurdoorn, cotoneaster), die als inoculum‑bron kunnen fungeren. In gunstige omstandigheden kan bacterievuur zich explosief uitbreiden en bomen, blokken of zelfs percelen aantasten.
Wat is bacterievuur?
Het pathogeen is wereldwijd aanwezig in teeltregio’s voor appel en peer; uitbraken zijn sporadisch maar potentieel verwoestend, afhankelijk van weer, inoculum en gevoeligheid van variëteit / onderstam.
Ziektebeeld (symptomen)
- Bloesem‑ en vruchtclusterinfecties : open bloemen verwelken, verkleuren bruin/zwart en blijven vaak vastzitten in de tros. Geïnfecteerde jonge vruchten verschrompelen en kunnen ooze (bacterieslijm) vertonen.
- Scheutinfecties – “herdersstaf” : jonge scheuten plooien aan de top (“herdersstaf”), bladeren kleuren zwart/bruin‑purper langs de hoofdnerf; aangetaste bladeren en vruchtjes blijven hangen en geven een “verschroeid” indruk.
- Kankers & ooze : aan de randen van (over)winteringskankers kan amberkleurig tot donker ooze uittreden; onder de bast is vaak roodbruin gevlamd weefsel zichtbaar
Praktijktip: verwarring met andere oorzaken van scheutverwelking (bv. perenscheutwesp‑prikpatronen) komt voor; doorsnijden tot in gezond hout en letten op ooze en verkleurde vaatbundels helpt bij de diagnose.
Levenscyclus (epidemiologie)
- Overwintering in randen van kankers op twijgen/takken. In het voorjaar (warm & vochtig) vermenigvuldigt de bacterie zich en verschijnt ooze; insecten (o.a. vliegen, bijen), regen‑spat en wind verspreiden inoculum.
- Primaire infecties ontstaan tijdens bloei: kolonisatie op stempels en binnendringen via nectariën; de bacterie migreert via vaatweefsel naar scheuten en kan systemisch vooruit lopen op zichtbare symptomen.
- Secundaire infecties via wonden (hagel, snoei, windschade) en jong weefsel in de weken na bloei (scheuten, “naboei”). Temperatuur & vocht sturen epidemieën; 18–27 °C met vocht/hoge RV is zeer bevorderlijk.
Naast appel/peer fungeren ornamentalen/wilde waardplanten (meidoorn, vuurdoorn, lijsterbes) als inoculum‑bron in perceelsranden en landschap.
Impact op de teelt
- Economische impact : uitbraken veroorzaken opbrengstverlies (verlies aan bloemen/vruchtzetting, vruchtmisvorming), snoei‑/rooikosten en in extreme gevallen boomsterfte (zeker op gevoelige onderstammen). In intensieve aanplanten en jaren met warm‑vochtig weer loopt de schade snel op.
- Operationeel & fytosanitair : sanitatie (wegsnijden/rooien) en monitoring vragen veel arbeid en timing.