Pear Gall Midge

Perengalmug


Contarinia pyrivora


Fruitteelt

De perengalmug (Contarinia pyrivora) is een kleine galmug (≈2–4 mm) die in het vroege voorjaar haar eieren in bijna‑openende perenbloemen afzet. De larven ontwikkelen zich in de jonge vruchtjes en vreten het binnenste weg. Aangetaste vruchtjes worden dik, zwart/bruin en vallen vroegtijdig af — een fenomeen dat in de praktijk vaak “dikkoppen” wordt genoemd. De plaag kan zich onopvallend opbouwen en in probleemjaren aanzienlijke uitval veroorzaken.​


Wat is de perengalmug?​

De volwassen mug: zeer klein, tenger, met lange poten; het vrouwtje heeft een lange legboor om eieren tussen kelk‑ en bloembladen te kunnen plaatsen. De larven zijn wit tot crèmekleurig, pootloos, enkele millimeters lang; leven endofytisch in de vrucht.​


Ziektebeeld (symptomen)​

Dikkoppen (verdikte vruchtjes) : kort na de zetting worden aangetaste vruchtjes abnormaal dik/bol en voelen zachter aan.​

Zwartverkleuring & vroege vruchtval : vanaf mei bruinen/zwar­ten de vruchtjes (meestal vanaf de kelkzijde) en vallen vroeg (vaak vóór of rond de junirui).​

Inwendige vraat : snij je zo’n vruchtje open, dan vind je meerdere larven en uitgegeten, papperig weefsel in de zaadholten.​

Levenscyclus​

  • Overwintering (in de bodem) : rijpe larven laten zich met afvallende vruchtjes op de grond vallen, verpoppen in een cocon en overwinteren in de bovenste bodemlaag (≈5–10 cm).​
  • Vroege voorjaarsvlucht : heel vroeg in het seizoen — vaak maart tot begin april, bij zacht en zonnig weer — komen volwassen muggen massaal en kortdurend uit.​
  • Eiafzet in bloemknoppen : vrouwtjes leggen meerdere eieren per bloem vlak vóór het opengaan.​
  • Larvale ontwikkeling in de vrucht : de larven doorlopen hun ontwikkeling in 4–6 weken in het jonge vruchtje. Daarna verlaten ze de vrucht en kruipen de bodem in, waar ze als larve/pupa blijven tot de volgende lente.​

In onze regio komt er één generatie per jaar voor.​


Impact op de teelt​

Kwaliteit & opbrengst: aangetaste vruchtjes halen de oogst niet en veroorzaken uitval in mei–juni. De mate van schade fluctueert sterk per jaar; bij opbouw over meerdere seizoenen kan de oogst significant dalen.