Pear psylla

Perenbladvlo gewone


Cacopsylla pyri


De perenbladvlo (Cacopsylla pyri) is één van de belangrijkste plagen in de perenteelt. Het insect zuigt sap, produceert honingdauw (waardoor roetdauw ontstaat) en kan via zijn speeksel toxische effecten veroorzaken op blad en scheut. Bij hoge druk leidt dit tot kwaliteitsschade aan vruchten, verzwakking van bomen en op langere termijn opbrengstverlies. In geïntegreerde teeltsystemen vraagt perenbladvlo een strakke, seizoensgebonden aanpak met aandacht voor monitoring, timing en behoud van natuurlijke vijanden.​


Wat is de perenbladvlo?​

Cacopsylla pyri behoort tot de bladvlooien (Psyllidae). De soort vertoont seizoensdimorfie: een wintervorm (donkerder, groter) die overwintert als adult op of nabij peren, en een zomervorm (lichter, kleiner) die in het groeiseizoen voorkomt.​

Volwassen insecten zijn ca. 2–3 mm groot, met transparante vleugels die dakvormig over het lichaam worden gehouden (mini‑cicade‑uitzicht). Eieren zijn langwerpig, eerst bleek, later geel/oranje. Nimfen doorlopen vijf stadia; jonge nimfen zijn geelachtig met rode ogen, latere stadia worden platter, donkerder en hebben zichtbare vleugelstompjes.​

De plaag is hostspecifiek voor peer (Pyrus spp.) voor ontwikkeling; adulte wintervormen kunnen wel tijdelijk op andere houtige gewassen rusten/voeden, maar planten zich daar niet voort.​


2) Ziektebeeld (symptomen)​

  • Honingdauw → roetdauw (“zwarte peren”) : nimfen scheiden veel honingdauw uit. Dit vervuilt bladeren én vruchten en vormt een substraat voor roetdauwschimmels. Het gevolg zijn zwarte/kleverige vruchten, verlies van glans en klassering buiten versmarkt.​
  • Bladschade en groeiremming : door sapzuigen en (mogelijk) toxische speekselcomponenten ontstaan zwarte/necrotische vlekken, chlorose, bladkrul en vroegtijdige bladval. De fotosynthese daalt, scheutgroei stagneert en knoppen kunnen afsterven.​
  • Psylla‑scorch & fysiologische stress : bij zonnig/droog weer kan “verbrandingsschade” optreden: bladverbranding en verwelking door gecombineerde stress van zuigschade en honingdauwbedekking.​
  • Indirecte effecten : meer arbeid bij sortering (plakkerige vruchten), hogere gevoeligheid voor secundaire infecties en verstoorde boombalans (lagere bloemknopaanleg).​

Levenscyclus​

  • Overwintering (adult, wintervorm) : volwassen perenbladvlooien overnachten in schorsspleten op peren of in nabijgelegen schuilplaatsen. Reeds op zonnige winterdagen zijn ze actief op de takken.​
  • Voorjaar: eiafzet en 1e generatie : vrouwtjes beginnen zeer vroeg (late winter – vroege lente) met eiafzet nabij zwellende knoppen/sporen. Na uitkomen migreren nimfen naar jonge weefsels.​
  • Voorjaar - Zomer: meerdere generaties : in ons klimaat ontstaan doorgaans 3–4 (soms 4–5) overlappende generaties per jaar. Eieren worden later in het seizoen afgezet op bladnerven, bladstelen en jonge scheuten. Nimfen voeden vooral op jong, sappig weefsel.​
  • Seizoensdimorfie : daglengte/temperatuur bepalen de ontwikkeling tot zomervorm (voorjaars‑/zomer generaties) of wintervorm (najaar), die vervolgens opnieuw overwintert.​

Verschillende nuttige insecten spelen een directe rol in het onderdrukken van eitjes en nimfen van de perenbladvlo. Vooral roofwantsen (Anthocoris nemoralis) zijn hierbij cruciaal, aangevuld met oorwormen (Forficula auricularia) , lieveheersbeestjes (Coccinellidae) en gaasvliegen (Chrysoperla carnea).​


Impact op de teelt​

Kwaliteit : honingdauw en roetdauw veroorzaken zware cosmetische schade, met afkeuring van vruchten voor de versmarkt. Bij lage tot matige druk ontstaat verruwwing /ruwheid en verminderde cosmetische presentatie.​

Opbrengst & boomvitaliteit : groeiremming, bladval en knopschade resulteren in minder bloemknoppen het volgende jaar en lagere opbrengst.. Bij langdurig hoge druk kan de boom structureel verzwakken.​