(= Grapholita lobarzewski)
Fruitmot kleine
De kleine fruitmot (Grapholita lobarzewskii) is een microvlinder uit de familie Tortricidae. Hij komt voor in grote delen van Europa en tast vooral appel aan, maar ook pruim en kers; in sommige regio’s wordt hij beschouwd als een opkomende of lokaal belangrijke fruitplaag. In België en Nederland wordt de soort minder vaak gemeld dan de ‘klassieke’ fruitmot, maar de schadebeelden zijn verraderlijk en kunnen economisch relevant zijn wanneer populaties opbouwen.
Wat is de kleine fruitmot?
De kleine fruitmot is een kleine mot met een spanwijdte van circa 13–14 mm. De volwassen vlinder is bruin‑ tot okerkleurig, vaak met een fijne, moeilijk herkenbare tekening op de voorvleugels. Omdat de uiterlijke kenmerken subtiel zijn, gebeurt determinatie in de praktijk meestal via feromoonvallen of genitaalonderzoek. De soort voedt zich vooral op Malus (appel) en Prunus (o.a. pruim, kers). Op deze vruchten ontwikkelen de larven zich door onder de schil en later richting het vruchtvlees te boren. De kleine fruitmot komt breed verspreid voor in Europa. In België en Nederland werd ze historisch slechts sporadisch waargenomen, maar moderne monitoring met feromoonvallen toont aan dat de soort regelmatiger aanwezig is dan vroeger werd aangenomen.
2) Ziektebeeld (symptomen)
De schade lijkt op die van fruitmot (Cydia pomonella), maar vertoont typische verschillen:
- Schone, oppervlakkige spiraalgangen onder de schil: vaak ster‑ of spiraalvormig (subepidermaal), zonder uitwerpselen in de gang. De larve werpt de uitwerpselen via kleine openingen naar buiten, nabij de ingangsopening.
- Doorgang naar klokhuis: na de oppervlakkige gangen boort de larve verder naar binnen; pitten worden doorgaans niet aangevreten (verschil met fruitmot).
- Secundaire effecten: lokale rot en vervroegde vruchtval kunnen optreden; bij steenfruit (pruim) worden gomafscheidingen gemeld rond de perforatie. [
- Praktijktip (diagnose): vind je schone stervormige gangen net onder de schil en uitwerpselen die buiten de vrucht ligt, dan wijst dat naar kleine fruitmot; bij fruitmot is de gang vuil (uitwerpselen ín de gang) en gaat de larve doorgaans naar de zaden.
3) Levenscyclus
- Generaties per jaar: in onze regio meestal één generatie met vlucht in mei–juni.
- Eiafzet & larvale ontwikkeling: eieren worden individueel op jonge vruchten afgezet; larven boren zich kort na uitkomst in.
- Schadeperiode: juni–augustus (larvale vraat en gangvorming).
- Overwintering: als larve in een cocon onder losse schors of op beschutte plekken; verpopping volgt in het voorjaarMonitoring
Feromoonvallen zijn noodzakelijk om aanwezigheid en vluchtverloop vast te stellen; in de praktijk worden ook lokstoffen uit de Grapholita‑groep gebruikt.
4) Impact op de fruitteelt
- Kwaliteitsverlies: de schone ster‑/spiraalgangen zijn cosmetisch storend en leiden tot klassering buiten versmarkt—zelfs bij geringe aantasting.
- Verlies vóór oogst: interne schade kan vroegval veroorzaken; bij pruim kan bijkomend gomvorming optreden.
- Verwarring met andere “kernvreters”: kleine fruitmot wordt makkelijk verward met fruitmot, pruimenmot of oosterse fruitmot; correcte soortidentificatie (feromoon, eventueel PCR‑RFLP of genitaalonderzoek) is cruciaal voor een gerichte strategie.